woensdag, juli 05, 2006

Aleksandr Zinovjev (1922-2006) door Koenraad ELST op The Brussels Journal, 4 juli 2006.

Op 10 mei 2006 overleed op 83-jarige leeftijd Aleksandr Zinoviev. Hij was een dissident van de Sovjet-Unie zowel als van de Nieuwe Wereldorde, en waarschuwde voor de gelijkenissen tussen beide.


Aleksandr Zinovjev werd geboren op 29 oktober 1922 in ergens een dorpje genaamd Pachtina, als zesde van elf. Hij was de zoon van een timmerman, wat wel vaker een voorteken is van een grootse roeping. Zijn ouders verhuisden spoedig naar Moskou, waar hij school liep en de aandacht trok als briljant leerling. Hij mocht voortijdig gaan studeren aan het Instituut voor Filosofie, Letterkunde en Geschiedenis, maar werd er buiten gezet wegens kritiek op Jozef Stalins beleid van gedwongen collectivisering. Hij werd aangehouden maar ontsnapte naar Siberië waar hij onderdook tot hij zich in 1940 bij het Rode Leger kon aanmelden. Onder WO2 diende hij in een tankregiment en vervolgens als piloot. Omdat hij zich militair onderscheidde mocht hij nadien naar Moskou terugkeren en zijn studies hervatten. Hij promoveerde op een proefschrift over de logische structuur van Karl Marx’ Das Kapital.

Een van zijn twintigtal boeken over logica, Wijsgerige Problemen van Meerdere-Waarden-Logica (1960), maakte hem international bekend. Hij werd in 1962 hoogleraar en later voorzitter van het departement Wiskundige Logica in de universiteit van Moskou. Hij laadde opnieuw verdenkingen op zich toen hij geen gevolg gaf aan druk van hogerhand om dissidente docenten te ontslaan. In 1970 nam hij ontslag uit de redactie van het leidinggevende sovjettijdschrift voor wijsbegeerte uit protest tegen de personencultus rond Leonid Brezjnev.

Voor de Sovjetregering ging hij een stap te ver met zijn boek De Gapende Hoogten, waarvan het Russisch origineel in 1976 in Lausanne gepubliceerd werd. Daarin beeldde hij de USSR onder Stalin en Nikita Chroestsjov uit als de stad Ibansk (een schuttingwoord) waar De Chef alleen de middelmatigheid laat gedijen, waar elke uitstekende nagel plat geklopt wordt en moreel waardebesef vervolgd. Er is geen werkloosheid omdat iedereen doet alsof hij werkt terwijl de overheid doet alsof ze betaalt. Niemand protesteert omdat iedereen op een of andere manier mede de grote leugen in stand houdt. Met die evocatie schetste Zinovjev de contouren van een begrip dat hij later theoretisch zou uitwerken: Homo Sovieticus.

In Rusland verscheen het boek alleen in samizdat-uitgave, maar het veroorzaakte er enige opschudding. De regering wilde de schrijver van deze bittere satire niet openbaar vervolgen om het boek geen extra publiciteit te bezorgen, maar ze wilde hem ook niet ongemoeid laten. Daarom ontnam ze prof. dr. Zinovjev zijn leerstoel en lidmaatschap van de Sovjet-Academie voor Wetenschappen, zijn eretekens uit de oorlog en zijn academische titels. Na zijn volgende boek, Stralende Toekomst, een satire op Brezjnev die in 1979 in het Westen uitkwam, werd hij verbannen wegens “gedrag schadelijk voor het Sovjetprestige”.

Zinovjev kreeg een leerstoel in München en kon nu rustig zijn ontleding van het reëel bestaande socialisme nader ontwikkelen. In 1985 publiceerde hij dan Homo Sovieticus, een droefgeestige studie van de “maatschappelijke entropie”, volgens hem het geheim van de toch merkwaardige stabiliteit van het anders weinig geliefde Sovjetsysteem. In ruil voor onvrijheid en een lage levensstandaard kregen de sovjetburgers zekerheid en vrijheid van verantwoordelijkheid. Hij meende dat een meerderheid hiermee uiteindelijk tevreden was en het systeem zou steunen. Inmiddels had hij in het Westen ook geen hoge dunk gekregen van de liberale consumentendemocratie die de mensen zwak en dom maakt. Hij verwachtte dat de perestrojka zou slagen en het Sovjetsysteem een tweede adem zou krijgen en het hedonistische Westen zou overleven.

Zoals velen vandaag over Arabieren zeggen, zo zei Zinovjev over de Slaven dat zij geen boodschap hadden aan democratie. De meeste dissidenten zagen dat anders, en Zinovjev vervreemdde nog meer van hen toen het Sovjetsysteem inderdaad instortte. Of de Russen vrijheid zouden krijgen, en wat voor een, was nog niet duidelijk, maar dat zij hun bestaanszekerheid zouden verliezen, was het maar al te zeer. Hij bekritiseerde de uitverkoop van de staatsbedrijven aan roofbaronnen door Boris Jeltsin en de resulterende ontwaarding van lonen en pensioenen. In de presidentsverkiezingen van 1996 steunde hij zelfs de communistische kandidaat Gennadi Zioeganov, de kandidaat van de volksbelangen en tegenstander van de Westerse overname van Rusland. Want voor hem was de ontbinding van de USSR minder de nederlaag van een ideologie als de nederlaag van het Russische volk tegen zijn Westerse belagers.

Anti-globalist

De ontbinding van het Sovjetsysteem viel samen met de uitroeping van een “Nieuwe Wereldorde” door George Bush senior. Naarmate de VS-hegemonie zich verder ontplooide, ging Zinovjev waarschuwen voor het “democratisch totalitarisme” (democratisch naar de vorm, totalitair in reële machtstermen) dat aan de wereld opgelegd werd.

In ondermeer zijn boek La Grande Rupture: Où Va le Nouvel Ordre Mondial? (L’Age d’Homme, Lausanne 1999) roeit hij tegen de stroom in door de verdediging van de Staat op zich te nemen. Dat is namelijk een belangrijk instrument van volkssoevereiniteit, en het is geen toeval dat ambitieuze agenten van de globalisering de staat langs boven en onder uitkleden. Je kan de staat van allerlei lelijks beschuldigen, maar je kan op hem tenminste een zekere institutionele controle uitoefenen. Zelfs de Sovjetstaat had tenminste de verdienste dat hij het volk beschermde tegen de internationale uitbuitingsmechanismen die onder Jeltsin vrij spel kregen. Vandaag verschuift de macht steeds meer naar allerlei supranationale organen die niet aan democratisch gestemde wetten gehoorzamen noch aan enig kiespubliek verantwoording moeten afleggen. Voor Rusland putte Zinovjev enige hoop uit het herstel van het staatsgezag tegen de oligarchen door Vladimir Poetin.

Een cruciale nieuwigheid in de huidige maatschappij is de oppermacht van de media, die de staat naar hun pijpen kunnen doen dansen. “Formeel bestaat er geen centrum van waar uit de media gedirigeerd worden. Maar in de feiten functioneren zij precies alsof zij instructies ontvangen vanwege een bestuurscentrale zoals de Centraal Comité van de USSR. Er is daar een soort van ‘onzichtbare hand’ die nog praktisch nooit rationeel bestudeerd is” (p.64), zo beschreef hij een situatie die vandaag nog onverminderd in voege is.

Hij rechtvaardigde ook zijn schijnbare ommezwaai die erin bestond om postuum voor het Sovjetstandpunt tijdens de Koude Oorlog op te komen: de Amerikaanse aanwezigheid in Europa was “in feite een onderwerping van West-Europa door een vreemde mogendheid. De VS hebben bereikt wat Hitler-Duitsland geprobeerd had, maar met andere middelen (…) De ‘Koude Oorlog’ van de VS tegen de USSR was terzelfdertijd een ‘koude kolonisatie’ van de alle Westerse staten door de VS.” (p.74)

In 1999 keerde Zinovjev terug naar Rusland. Tijdens een vraaggesprek vlak voor zijn vertrek uit München verklaarde hij: “De catastrofe in Rusland is hier in het Westen gewild en geprogrammeerd. Ik kan het zeggen omdat ik in een zekere periode zelf een ingewijde was. Ik heb deelgenomen aan studiezittingen waar men onder voorwendsel van strijd tegen een ideologie de dood van Rusland voorbereidde. (…) Ik kan niet langer leven in het kamp van diegenen die mijn land en mijn volk vernietigen.” (Grande Rupture, p.90)

In datzelfde jaar gaven de volkomen wederrechtelijke VS-bombardementen op rest-Joegoslavië ter ondersteuning van het moslim-Albanese expansionisme in Kosovo en ter bestraffing van de Servische weerstand hem gelijk. Na de evenzeer wederrechtelijke uitlevering van Slobodan Milosevic aan het Joeslavië-tribunaal werd hij medevoorzitter van het internationaal comité ter verdediging van Milosevic.

Zelf heb ik de eer gehad om Zinovjev een paar keer te ontmoeten en om samen met hem de petitie “Les Européens veulent la paix” tegen de anti-Servische en au fond anti-Europese agressie van Bill Clinton te ondertekenen. Een andere ondertekenaar was Aleksandr Solzjenitsyn. Het is geen toeval dat de pleitbezorgers van de menselijke vrijheid tegen de Sovjetdictatuur vervolgens gingen waarschuwen tegen de soms subtiel en soms minder subtiel opgedrongen “consensus” van de multiculturalistische en moreel relativistische Nieuwe Wereldorde.

Pro-hindoe

Een van Zinovjevs laatste publicaties was een artikel over het bedreigde hindoeïsme en de precaire toekomst van India. Dit liet hij in Indiase media verschijnen onder de titel “For India’s survival, Hinduism has to prevail”. Vooral de opname in Organiser (23 en 30 oktober 2005), het engelstalige orgaan van de hindoe-nationalistische massabeweging Raasjtrija Swajamsewak Sangh (Nationaal Vrijwilligersverbond”), was een scherp gebaar van non-conformisme. De wereldpers heeft natuurlijk geen sympathie voor dissidenten die zich met zulke verfoeilijke groeperingen inlaten, reden allicht waarom Zinovjevs dood in de Vlaamse pers praktisch onvermeld bleef. Maar mannen van formaat die het Sovjetmonster in de muil gekeken hebben, laten zich niet afschrikken door de heilig verontwaardigde foei-kreetjes van amateur-inquisiteurs uit Lilliput.

In dat stuk vraagt Zinovjev zich af welke kansen India, een aloude bondgenoot van Rusland (graaf Hermann Keyserling schreef een eeuw geleden dat geen twee volkeren zo op elkaar geleken als het Russische en het Indiase, allebei diepreligieus en zo), heeft om te overleven nu de bindende kracht van het hindoeïsme verzwakt: ”De waarheid is dat de situatie van het hedendaagse hindoeïsme, en van heel India, verre van volmaakt is. In feite is ze alarmerend, om niet te zeggen catastrofaal. Zelfs als sommige Indiërs, de zogenaamde ‘secularisten’, dit niet beseffen, is het overduidelijk dat het hindoeïsme wegzinkt in de obscuriteit, dat zijn nvloed in Azië maand na maand en dag na dag vermindert. Wellicht beleven wij de laatste eeuwen van de Indiase beschaving en is de situatie van de hindoes van vandaag zoals die van Iran op het eind van zijn zoroastrische periode of van Egypte onder de Ptolemeeën. Er zijn dringend drastische stappen nodig of de hindoes zullen hetzelfde lot delen van die grote naties uit het verleden.”

En dan beschrijft hij de invasie van de moslim-horden en hun vermenigvuldiging binnen India: “In 1400 waren ze al 3,5%, in 1700 al 10%, in 1890 ongeveer 20%, in 1945 al 45%, en vandaag meer dan 31% [in ongedeeld India, dus Pakistan en Bangladesj inbegrepen], of één derde van de bevolking. Dit gestadige islamiseringsproces van India is langzaam maar meedogenloos. (…) In India heeft de islam nooit een eenmaal veroverd gebied weer opgegeven (…) in wat wel eens de meest langdurige en meedogenloze expansie in de religieuze geschiedenis zou kunnen zijn. Het ziet ernaar uit dat India en het hindoeïsme gedoemd zijn en dat er niets gedaan kan worden tegen dit onvermoeibare offensief om de trend te keren. (..) Misschien was de verdwijning van de grote religies van Egypte, Babylon en Perzië geen toerval. Maar ik wens te geloven dat het hindoeïsme te waardevol is voor de mensheid, dat gewijde Indiase boeken teveel kostbare en unieke kennis bevatten om in de vergetelheid te laten wegzinken. ”

De oplossing is duidelijk. Nee, niet de moslims vergassen of de oceaan in drijven, maar wel: “Er is maar één manier, en dat is de massale bekering van moslims tot het hindoeïsme.” Maar daarbij rijst de vraag of het wel mogelijk is om moslims te bekeren: “Er is een theorie dat moslims nooit hun godsdienst zullen opgeven, dat dit volstrekt onmogelijk is. Maar dat is een mythe. Er is een goed en recent tegenvoorbeeld.” En dan doet hij het verhaal van de Bulgaarse moslims uit de streek van de Rhodopa-berg, oorspronkelijke orthodoxe christenen die in de 15de eeuw onder dwang tot de islam bekeerd waren. Midden jaren 1990 keerden zij echter terug tot het christendom onder invloed van de charismatische priester Bojan Saroejev. Jaarlijks gingen twee- tot drieduizend moslims, meestal jong en ontwikkeld, tot hun voorouderlijke godsdienst over.

Het is bewezen dat moslims onder bepaalde omstandigheden wel tot bekering kunnen bewogen worden: “Weldra zullen die voorwaarden ook in India bestaan, want met het toenemende opleidingsniveau zullen moslims beseffen dat het hindoeïsme de inheemse religie van hun land is en dat de islam een van buitenaf met geweld opgelegd geloof is.” Dit zal weliswaar niet vanzelf gaan, het vereist dat “genoeg begaafde hindoe-predikanten, mannen van uitzonderlijk karakter en voldoende moedig, deze moeilijke en belangrijke taak op zich nemen”. Overigens moet deze campagne niet van de staat uitgaan, maar van de hindoe-samenleving zelf, want als zij er niet toe gemotiveerd is, zal er niet veel van in huis komen. Vrijheid krijg je niet gratis, en evenmin de bevrijding van je moslimmedemensen uit hun dwaalgeloof.

Tenslotte roept hij de hindoes op om het niet te ver te drijven met hun geboortenbeperking: “De hindoe-middenklasse moet een vruchtbaarder gedrag ontwikkelen naar het voorbeeld van de joden in Israël, d.w.z. opnieuw kiezen voor gezinnen met meer kinderen. De demografische situatie in Israël en in India is immers erg gelijkaardig en de vijand is dezelfde.” Dat geldt niet alleen voor die twee landen, natuurlijk, maar over Europa is dit punt al voldoende geargumenteerd.

Zodus, bekeer de moslims en keer terug naar normale gezinsvorming, dan zal u en uw land allerhande ellende bespaard worden. Ziedaar het testament van een gestaalde vrijheidsstrijder (als jongeling tegen het nazisme, in de kracht van zijn jaren tegen het communisme, op zijn oude dag tegen het multiculglobalisme annex de islam), tevens hoogleraar in de logica.

Bron: The Brussels Journal